Afdrukken

De Absolute Moraal van het Christendom1

Een radicale apologetiek van de christelijke ethiek

Christelijke ethiek wordt vaak bekritiseerd als achterhaald, dogmatisch en intolerant. Maar mensen die deze kritiek uiten hebben zelf vaak geen benul van waar zij hun eigen ethische standpunten (en hun veroordeling van de christelijke standpunten) ten diepste op baseren. In feite hangen de meeste Nederlanders (al dan niet bewust) het op atheïsme gefundeerde humanisme aan.

In dit essay zullen we teruggaan tot het ultieme fundament waarop ethische standpunten gegrond zijn. Er zal worden laten zien dat er binnen een atheïstisch wereldbeeld geen enkele basis is voor een objectieve ethiek, en dat het seculier humanisme dus een ongefundeerd ethisch stelsel is. Dit in tegenstelling tot het christendom, dat wel grond biedt voor een objectieve en absolute moraal. Ook zullen enkele van de meest gehoorde klachten richting de christelijke ethiek worden geanalyseerd en beantwoord.

De basis voor moraal

Seculiere humanisten hebben zeer ver ontwikkelde meningen over wat goed is en wat kwaad is, en over wat we wel en wat we niet zouden moeten doen. Maar het lijkt erop dat bijna niemand erg ver doordenkt over waar zijn morele standpunten nu eigenlijk op gebaseerd zijn. Als ze dat wel zouden doen, zouden de meesten ontdekken dat hun hele stelsel van standpunten in feite een luchtkasteel is, zonder enig fundament anders dan hun eigen smaak.

Als dit gegeven nieuw is voor de lezer, laat hij zichzelf dan de volgende vraag stellen: ‘is iemand in koelen bloede vermoorden slecht?’ Als het antwoord ‘nee’ is, ben je een immorele schurk (en zeker geen humanist). Als het ‘ja’ is, laat hij zichzelf dan vragen ‘waarom?’ Tja, en nu beginnen voor de meeste mensen de problemen al. De meesten van ons is simpelweg geleerd dat moorden (net als liegen en stelen) slecht is, zonder dat hier een onderbouwing voor werd gegeven. Naar een onderbouwing gevraagd, zullen velen het nog niet opgeven. We horen antwoorden als ‘omdat het tegen de wil van het slachtoffer is’ of ‘omdat het gemeen is’ of ‘zou jij het leuk vinden als iemand jou zou vermoorden?’ De volgende vraag is dan natuurlijk ‘en waarom zou de wil van het slachtoffer er toe doen?’ of ‘en wat is er mis met gemeen zijn?’ Het antwoord is over het algemeen zoiets als ‘de rechten van de één eindigen waar de rechten van de ander beginnen’ of ‘mijn geweten vertelt me dat dit slecht is’. Met rasse schreden naderen we de singulariteit van de moraal: het punt waar we geen antwoorden meer kunnen geven op ‘waarom’-vragen. Want dieper dan dit kunnen we niet gaan: niemand weet waarom de rechten van de één zouden moeten eindigen waar die van de ander beginnen en waarom ons geweten maatgevend zou moeten zijn.

Sommige mensen dalen nog één trede dieper af, en beredeneren dat als we allemaal als moordmachines door het leven zouden gaan, de maatschappij een chaos zou worden, en het dus voor iedereen gunstig is om bepaalde regels te hanteren. Maar waarom zou ‘het algemeen goed’ nagestreefd moeten worden? Omdat het algemeen goed iets intrinsiek waardevols is? Nee, het is slechts de som van een groot aantal individuele belangen. Volgens deze redenering zouden een heleboel individuele spelers zich aan een set regels moeten houden die het algemeen goed bevorderen, omdat dit algemeen goed in hun eigen voordeel is. Maar ‘eigenbelang’ is een instabiele, zelfondermijnende basis voor ethiek. Want wat weerhoudt een individuele speler ervan de code eventjes naast zich neer te leggen als dat in zijn voordeel is en hij er mee weg kan komen? In principe zou niets hem daarvan hoeven te weerhouden. Uiteindelijk levert ‘het algemeen goed’ slechts een pragmatische motivatie om je aan bepaalde regels te houden, maar geen basis om te zeggen dat iets echt slecht is.

Intrinsieke waarde

Onder een atheïstisch wereldbeeld is er geen reden om aan te nemen dat een mensenleven intrinsieke waarde heeft. Niets in het universum heeft echt waarde. Wat bedoel ik hiermee? Wel, laat ik eerst even uitweiden over wat ik onder ‘waarde’ versta.

Een voorwerp is nooit waardevol uit zichzelf. Een voorwerp is waardevol doordat iemand er waarde aan hecht. Een biljet van 50 euro is waardevol omdat wij het als zodanig beschouwen. Een trouwring heeft geen waarde voor een schildpad, maar wel voor een echtgenoot. Een voorwerp kan nooit waardevol zijn uit zichzelf, maar kan alleen maar waardevol zijn in de ogen van iemand.

Welnu, wie hecht er waarde aan het universum? Als het ontstaan van het universum geen bedoeling had, als er geen Schepper is die het universum gemaakt heeft, is er niemand die het universum als waardevol kan beschouwen. Hetzelfde geldt voor het leven. Als het op naturalistische wijze ontstaan is, en er geen Ontwerper is die er een bedoeling mee heeft gehad, is er niets waardevols aan het leven. Levende wezens zijn niets meer dan het resultaat van toevallige mutaties en natuurlijke selectie. Er is geen doel en geen intrinsieke waarde (behalve de subjectieve waarde de we er zelf aan geven). En als het leven van een medemens geen intrinsieke waarde heeft, wat zou er dan mis zijn met moord?2

Maar alles wordt anders als we ons realiseren dat er wel degelijk een Schepper is, die het universum met een bedoeling gemaakt heeft, en de mens naar zijn beeld heeft geschapen. Als de mens een schepsel is en God waarde aan hem hecht, dan is het leven intrinsiek waardevol. Dan mag je niet meer zomaar iemand van het leven beroven. Dan is er een Wetgever die in staat is goed en kwaad te bepalen en bovendien in staat is mensen te straffen wanneer ze het kwade doen. Dan is er een basis voor moraal. God bepaalt de standaard van wat goed en kwaad is.3

Euthyphro’s Dilemma

‘Maar’, werpen de slimmere atheïsten tegen, ‘wordt het probleem nu niet simpelweg verplaatst? Want nu kunnen we ons weer afvragen hoe God weet wat goed en kwaad is.’ Deze kwestie is natuurlijk niet zo nieuw, en we kunnen helemaal terug naar Socrates, die Euthyphro de vraag stelde: ‘Houden de goden van het goede omdat het goed is, of is iets goed omdat de goden ervan houden?’ Moderne proponenten van Euthyphro’s dilemma denken dat dit probleem ook op de christelijke God van toepassing is. ‘Beveelt God het goede omdat het goed is, of is iets goed omdat God het beveelt?’

Het is een dilemma omdat beide opties beschouwd worden als problematisch. Als God iets gebiedt omdat het goed is, dan is goedheid iets overkoepelends dat boven God uitstijgt. Dan zou God niet soeverein zijn, maar heeft Hij Zich te houden aan een wet die hoger is dan Hijzelf.

Aan de andere optie, dat goedheid bepaald wordt door Gods bevelen, kleven de volgende bezwaren:

  1. Gods geboden zijn dan arbitrair. Als er geen hogere, overkoepelende moraal is, en goed en kwaad simpelweg bepaald worden door Gods wil, kan God geen morele redenen hebben voor de geboden die Hij geeft. Zijn bevelen zijn ongegrond, omdat ze niet terug te voeren zijn op een achterliggende moraal.
  2. Anything goes’. Alles wat God gebiedt is goed, wat het ook is. Als God het eten van baby’s goed zou vinden, zou het goed zijn.
  3. Goedheid kan dan wispelturig zijn. Het ene moment kan het slecht zijn om baby’s te eten, en andere moment (of in een ander universum) kan het goed zijn; het hangt er maar net van af wat God besluit te doen.
  4. Het maakt van de uitspraak ‘God is goed’ een betekenisloze tautologie. Natuurlijk is God goed, want goedheid wordt gedefinieerd als datgene wat God wil.

Hoe zit het hiermee? Wel, om te beginnen moeten we vaststellen dat er een groot verschil is tussen de beperkte, feilbare, fictieve godjes waar de Grieken in geloofden (en waar Socrates zijn pijlen op richtte) en de almachtige, soevereine God waar christenen in geloven. En dit zet de deur open voor een derde optie.

Na ruim anderhalf millennium denkwerk kwam de dertiende-eeuwse filosoof Thomas van Aquino met het antwoord dat goedheid niet iets is dat onafhankelijk is van God en boven God uitstijgt, en dat het ook niet simpelweg afhangt van Gods geboden, maar dat goedheid onderdeel is van Gods karakter. Op deze manier kunnen er dus redenen zijn voor de geboden die God geeft (m.a.w. zijn geboden zijn wel degelijk ergens op gebaseerd), maar zijn deze redenen niet gegrond op iets dat boven God uitstijgt, maar op Gods eigen karakter.

Dat is een deel van het antwoord. Het andere deel van het antwoord is dat God de Schepper van het universum is. Omdat Hij de Schepper is van de realiteit waarin wij ons bevinden, hebben we geen keus dan ‘goedheid’ te definiëren als hetgeen God wil dat er binnen deze realiteit gebeurt. Dat is geen kwestie van ‘might makes right’ (hoewel het een prettige bijkomstigheid is dat God  ook nog eens de macht heeft het kwade te bestraffen). Wat ‘goed’ is binnen dit universum, is datgene wat het karakter van de Schepper van dit universum reflecteert. Dat is een 100 procent objectieve standaard voor moraal.

Blijft over de vraag of de uitspraak ‘God is goed’ niet een oninformatieve tautologie is. Ten eerste moet hierop geantwoord worden dat het niet per se erg is als een bepaalde uitspraak tautologisch is. In feite zijn alle syllogismen tautologisch (ga zelf maar na). Ten tweede is de  uitspraak ‘God is goed’ wel degelijk informatief omdat wij mensen uitgerust zijn met een bepaald idee van wat goedheid inhoudt. We zijn geschapen naar Gods beeld en hebben kennis van goed en kwaad (al is het geen volmaakte kennis daarvan4). We hebben dus bepaalde dingen voor ogen wanneer we het over Gods goedheid hebben. Ten derde is de uitspraak informatief omdat God niet perse goed had hoeven zijn. God had ook een amorele, onverschillige God kunnen zijn. Dat is niet het geval: God is goed.

Met deze kennis kunnen we aantonen dat alle problemen van Euthyphro’s Dilemma niet op de Bijbelse God van toepassing zijn. Ik loop alle vier hierboven genoemde problemen nog even langs:

  1. Gods geboden zijn niet arbitrair en zonder redenen. Zijn geboden zijn gebaseerd op een overkoepelende moraal, maar die moraal is gegrond in Gods eigen karakter, niet in iets dat boven Hem uitgaat. En omdat God de Schepper van het universum is, is zijn wil binnen dit universum normatief. Dat is binnen deze realiteit een volledig objectieve basis voor moraal.
  2. Anything goes’ is geen probleem. Dit zou pas een probleem zijn als we een objectieve morele standaard hadden waar we Gods moraal mee konden beoordelen, en vervolgens zou blijken dat God immoreel is. Zo’n standaard hebben we niet. Als God het eten van baby’s goed zou vinden, dan zou dat inderdaad goed zijn, maar er is een goede kans dat ook wij dat dan goed zouden vinden. Feit is dat God het eten van baby’s niet goed vindt, dus dit soort ‘wat als’-vragen zijn totaal nutteloos.
  3. Goedheid is niet wispelturig, omdat goedheid verankerd ligt in Gods karakter, en God verandert niet. Als God andere universa zou maken, zou daarin dezelfde moraal gelden.
  4. De uitspraak ‘God is goed’ is deels tautologisch, maar, zoals ik hierboven heb uitgelegd, ook deels informatief.

Het ware geloof levert dus wel een objectieve basis voor ethiek, in tegenstelling tot het seculier humanisme. ‘Dit is allemaal leuk en aardig’, luidt de volgende atheïstische tegenwerping, ‘maar ondanks deze hoge moraal zijn christenen intussen wel verantwoordelijk voor 2000 jaar bloedvergieten!’ Ongeïnformeerde atheïsten weten doodleuk alle oorlogen en conflicten op religie af te schuiven. Oh, en voor we het vergeten: ‘Hoe zit het met al die kruistochten en heksenjachten?’

Religie als bron van ellende

Voordat we ingaan op specifiekere beschuldigingen jegens het christendom, zullen we eerst even kijken naar de meer algemene bewering dat religie leidt tot moord en verderf. Dit is iets waar atheïsten nogal prat op gaan. Er is echter veel op aan te merken, meer dan je op het eerste gezicht zou denken.

Om te beginnen zouden we graag van de atheïst die dit beweert willen weten waarom hij deze opmerking plaatst. Wat wil hij ermee betogen? Meestal wordt dat er namelijk niet bij verteld. Meestal wordt gewoon gesteld dat religie een bron van ellende is, en wordt zonder verdere uitleg aangenomen dat dit telt als een argument tegen religie. Maar op welke manier is het een argument tegen religie?

Meestal is dat vagelijk op de volgende manier: ‘Religie leidt tot ellende, dus we moeten van religie af.’ Nu wordt echter duidelijk dat dit geen rationeel argument tegen het waarheidsgehalte van religie is (gewelddadigheid en waarheid zijn immers niet logisch onverenigbaar), maar op zijn best een motiverende oproep om je van religie te ontdoen. Het is een opruiende kreet, geen argument.5

Niettemin zullen we deze beschuldiging nader onderzoeken. De beschuldiging staat ogenschijnlijk sterk omdat het zowel een filosofische component heeft als een empirische. Met andere woorden: dat religie tot geweld leidt lijkt zowel logisch als een geobserveerd feit. De filosofische component luidt ongeveer zo: ‘Mensen met sterke religieuze overtuigingen zijn bevattelijk voor een goddelijke opdracht om moord en verderf te zaaien.’ De empirische component wordt doorgaans onderbouwd door te wijzen naar specifieke religieuze conflicten. Bij elkaar opgeteld lijkt dit een tamelijk sterke onderbouwing te zijn voor de stelling dat religie iets onwenselijks is (los van de vraag naar het waarheidsgehalte van religies).

Een groot probleem met de beschuldiging is het woordje ‘religie’. Die term moet eerst gedefinieerd worden. Voor de atheïst of humanist die de beschuldiging uit betekent ‘religie’ waarschijnlijk zoiets als: ‘een geloofssysteem dat bovennatuurlijke elementen bevat.’ Waarom is het specifiek het bovennatuurlijke aspect dat een definiërende rol speelt? Omdat dat het aspect is dat het atheïsme van alle andere geloven onderscheidt. In feite stelt de atheïst zijn eigen overtuiging6 apart van alle andere, om vervolgens een generaliserende uitspraak te doen over al de andere overtuigingen (geschaard onder de term ‘religie’). Dit is net zo generaliserend als de uitspraak ‘negers zijn crimineel’.

Overigens maak ik bezwaar tegen het arbitraire onderscheid dat mensen vaak maken tussen religieuze en niet-religieuze overtuigingen of ideologieën. Mensen lijken stilzwijgend aan te nemen dat het aanhangen van een religieuze ideologie (een godsdienst) gelijk staat aan het innemen van een stelling, terwijl een niet-religieus standpunt meer neutraal is. Niets is minder waar. Niet-religieuze mensen zijn vaak zeer radicale gelovigen op allerlei vlakken, bijvoorbeeld als het gaat om hun opinies over mensenrechten. Er is geen reden waarom hun standpunten als meer ‘vanzelfsprekend’ en ‘neutraal’ beschouwd zouden moeten worden dan ieder ander standpunt.

Een ander bezwaar tegen de redenering ‘religie leidt tot ellende, dus we moeten van religie af’ is dat precies dezelfde redenering tegen het atheïsme gebruikt zou kunnen worden. De grootste moordpartijen van de geschiedenis vonden plaats onder de seculiere en atheïstische regimes van de afgelopen eeuw. Onder Stalin, Hitler, Mao en Pol Pot zijn meer mensen omgebracht dan in alle godsdienstenoorlogen van de hele geschiedenis bij elkaar. De empirische component van de beschuldiging kan dus ook tegen het atheïsme gebruikt worden.

Hoe zit het met de filosofische kant van het verhaal? Zoals ik hierboven al aangaf luidt die ongeveer als volgt: ‘Mensen met sterke religieuze overtuigingen zijn bevattelijk voor een goddelijke opdracht om moord en verderf te zaaien.’ Dat klinkt vrij logisch. Het is niet moeilijk voor te stellen dat religieuze mensen zich bijvoorbeeld zouden kunnen laten ophitsen tot het uitroeien van andersdenkenden, als onderdeel van het nastreven van een hoger ideaal (zoals heel de wereld bekeren tot jouw geloof). Atheïsten zouden daar niet bevattelijk voor zijn, omdat ze niet in een hogere macht geloven.

Met enige reflectie kunnen we deze beschuldiging echter 180 graden omdraaien. Want mensen met sterke religieuze overtuigingen zijn tevens bevattelijk voor een goddelijke opdracht om het goede te doen en een goddelijk verbod om het slechte te doen! En dit geldt zeker voor het Bijbelgetrouwe christendom, zoals we in de volgende paragraaf zullen zien. Atheïsten, daarentegen, hebben noch de opdracht om het goede te doen, noch het verbod om het kwade te doen. Oftewel, wat Stalin, Hitler, Mao en Pol Pot deden is nog niet eens inconsistent met hun atheïstische wereldbeeld! Uitgaande van het atheïstische wereldbeeld kunnen we niet zeggen dat hun moordpartijen slecht waren.

De misdaden van het christendom

Ik zou nog terugkomen op de specifieke beschuldiging aan het adres van het christendom. We zagen eerder dat atheïsme geen fundering biedt voor een objectieve moraal, maar dat de objectieve moraal haar basis vindt in het karakter van God. Een niet-christen kan daarop reageren: ‘Dat is een hoop vroom geklets, maar ondertussen heeft het christendom wel geleid tot vele eeuwen van bloedvergieten.’

Dit is een gedeeltelijk terechte aanklacht. Waarschijnlijk wordt een heleboel ellende onterecht aan het christendom toegeschreven, omdat veel ‘christenen’ helemaal geen echte volgelingen van Christus zijn, en omdat veel zogenaamd ‘religieuze’ conflicten (zoals in Noord Ierland) in feite gewoon politieke conflicten zijn, waarbij egoïsme, machtswellust en wraakzucht een veel grotere rol spelen dan het geloof. Maar nog steeds is het onontkenbaar dat ook echte christenen, die werkelijk in Jezus geloven, zich zeer vaak op allerlei manieren misdragen, en soms vloeit hun wangedrag zelfs voort uit het geloof.

Dit is iets dat christenen zichzelf aan mogen rekenen. Christenen zijn immers de meest zichtbare vertegenwoordigers van Christus in deze wereld. Het is echter onterecht om een geloof te veroordelen op grond van het gedrag van de gelovigen, wanneer hun handelingen niet consistent zijn met het geloof. Het gaat uiteindelijk niet om de gelovigen, maar om Degene in wie geloofd wordt.

Overigens zijn er, gelukkig, ook een heleboel christenen die wel (in meer of mindere mate) het geloof in praktijk brengen. Want wat veel atheïsten voor het gemak vergeten, is dat het christelijke geloof, meer dan welke andere levensbeschouwing dan ook, heeft aangezet tot goede daden. Sommige atheïsten zijn iets verlichter dan hun kameraden, en geven toe dat dit inderdaad zo is. Zo ook Roy Hattersley, die in de liberale krant The Guardian het volgende schreef: “Het Leger des Heils heeft in Amerika een bijzondere status verworven als hulpverlener bij rampen. Maar hun werk wordt aangevuld door allerlei andere groepen. En bijna allemaal hebben die een religieuze oorsprong en religieus karakter. Teams uit rationalistische genootschappen en uit verenigingen van vrijdenkers en atheïsten schitteren door afwezigheid; het soort mensen die religie niet alleen bespotten als intellectueel absurd, maar het ook nog eens beschouwen als een bron van ellende. […] John Wesley benadrukte dat goede werken geen toegang tot de hemel garanderen. Maar ze worden wel het meest gedaan door mensen die in de hemel geloven. De correlatie is zo duidelijk dat er geen twijfel over bestaat: geloof en liefdadigheid gaan hand in hand.7

Het ‘argument van afschuw’: is God slecht?

Binnen het christelijke wereldbeeld bestaat er een objectieve basis voor moraal, een stimulans om het goede te doen en een mandaat om het slechte te veroordelen. En deze absolute, objectieve moraal is gegrond in het karakter van God.

Maar is de God van de Bijbel niet juist verschrikkelijk slecht? De Bijbel was toch dat achterhaalde, onverlichte, antivrouwelijke, homofobe, racistische boek vol achterlijke wetten, exorbitant hoge straffen en opdrachten tot genocide? Is de Bijbelse God niet een wrede tiran? Als moraliteit in zijn karakter gegrond is, zitten we zwaar in de problemen!

Wel, dat laatste zou wel eens heel goed kunnen kloppen. In eerste instantie zou ik dat beeld van God als ‘wrede tiran’ niet eens tegen willen spreken, al was het maar om het even belachelijke beeld van de ‘lieve God’ enigszins te nuanceren. God is rechtvaardig, en dat is niet per se een geruststelling.

Maar de suggestie dat de God van de Bijbel slecht is wil ik wel tegenspreken, en dus zullen we inhoudelijk ingaan op deze antichristelijke argumenten, die de moraliteit van de Bijbelse God aanvallen. Dit is een speciale categorie van argumenten die we ‘argumenten van afschuw’ zouden kunnen noemen. Dit zijn niet zozeer logisch valide argumenten, maar eerder emotionele argumenten waarbij de criticus de Bijbel verwerpt omdat het wetten of opdrachten bevat die hij ronduit afschuwelijk vindt; die totaal in tegenspraak zijn met zijn morele intuïtie. Er zijn twee redenen waarom ‘argumenten van afschuw’ geen hout snijden. Ten eerste komen ze meestal voort uit een ernstig gebrek aan kennis over de cultuur of situatie waarin wetten of opdrachten worden gegeven. Ten tweede is onze morele intuïtie geen objectieve basis van waaruit we Gods handelen af kunnen keuren.

In de eerste plaats zijn beweringen over de zogenaamd verwerpelijke moraal van de Bijbel vaak gebaseerd op een totaal onbenul van de (culturele) context. Om een voorbeeld te noemen: in Deuteronomium 21 vinden we voorschriften voor hoe Israëlische soldaten om moesten gaan met krijgsgevangen vrouwen: “Wanneer gij uittrekt ten strijde tegen uw vijanden en de HERE, uw God, hen in uw macht geeft en gij uit hen gevangenen maakt, en gij ziet onder de gevangenen een vrouw, schoon van gestalte, zodat gij behagen in haar hebt en haar tot vrouw wilt nemen, dan zult gij haar in uw huis brengen; zij zal haar hoofdhaar afscheren, haar nagels knippen, het kleed, dat zij bij haar wegvoering droeg, afleggen en in uw huis blijven om haar vader en moeder een volle maand te bewenen; daarna moogt gij tot haar komen en haar huwen, zodat zij uw vrouw wordt. Hebt gij geen behagen meer in haar, dan zult gij haar laten gaan, waarheen zij wil; gij moogt haar in geen geval voor geld verkopen; gij moogt haar niet als slavin behandelen – want gij hebt haar gedwongen.” Critici klagen steen en been over dit soort passages. “Wat is er liefdevol aan het geven van toestemming voor het verkrachten van buitgemaakte jonge meisjes?”, vraagt Marc Defianth van de antichristelijke website Freethinker.nl. Maar enige reflectie levert een heel ander beeld op van het effect van dit voorschrift. Wij westerlingen, die nooit iets met oorlog te maken hebben gehad, kunnen het ons misschien moeilijk voorstellen, maar door de millennia heen is het de norm geweest dat vrouwen en meisjes, wanneer hun stad werd veroverd, wreed werden verkracht door de plunderende soldaten. Dit soort praktijken was bijna niet te verhinderen. Hoe voorkom je dat je soldaten dat doen? Als er één manier is om dat te voorkomen, is het wel deze wet. Verkrachting tijdens de plundering wordt hier niet gehonoreerd; het wordt juist verboden. Maar wel met de mogelijkheid tot een eventueel huwelijk na een maand wachten. Een máánd! Deze briljante wet verplaatst het maken van een beslissing van ‘the heat of the moment’ tijdens de plundering, naar een maand van kalme overweging. (En merk ook op dat het laatste deel van dit voorschrift zelfs rechten toekent aan krijgsgevangenen die wij misschien vanzelfsprekend vinden, maar die in het antieke Nabije Oosten extréém genereus waren.)

Het tweede en meer fundamentele probleem met ‘argumenten van afschuw’ is dat we zonder God geen objectieve grond hebben voor moraliteit, zoals reeds herhaaldelijk is opgemerkt. We hebben geen maatstaf waarmee we God kunnen beoordelen. Hoe afschuwelijk we sommige van Gods geboden en verboden ook mogen vinden, we hebben geen objectieve basis op grond waarvan we ze kunnen afkeuren. De enige grond waarop we staan is onze eigen morele intuïtie, maar voor zover deze intuïtie niet is gevormd door Gods openbaring, is ze niet zonder meer te vertrouwen. En helaas is een groot deel van onze moraliteit niet gevormd door goddelijke openbaring, maar door de culturele setting waarin we grootgebracht worden.

Neem bijvoorbeeld de Bijbelse veroordeling van homoseksualiteit, om me maar even op gevaarlijk terrein te begeven. Binnen onze liberalistische cultuur, waar gelijkheid en individuele vrijheid zo ongeveer de twee hoogste waarden zijn, wordt homoseks niet afgekeurd; sterker nog, afkeuring ervan is buitengewoon controversieel. Als jij, de lezer, zojuist sterk negatieve gevoelens voelde opborrelen toen je de woorden ‘de Bijbelse veroordeling van homoseksualiteit’ las, dan weet je wat ik bedoel. Voor veel mensen is deze kwestie al genoeg om een hekel te hebben aan christenen en het christendom.

Maar doe eens een stapje terug en probeer je in te beelden hoe divers de ethische standpunten van de duizenden verschillende culturen gedurende de vele eeuwen van onze geschiedenis moeten zijn geweest. Natuurlijk zijn er een aantal basale wetten die bijna overal golden: moord, diefstal en overspel werden eigenlijk binnen geen enkele cultuur gewaardeerd. Maar inzake bijna alle andere kwesties bestond en bestaat er een enorme diversiteit aan ideeën en gebruiken. Denk maar aan de rolverdeling van mannen en vrouwen, huwelijksarrangementen, de rechten en plichten van kinderen, strafmaten, arbeidsvoorwaarden, regeringsvormen, et cetera.8 En bedenk je ook dat mensen die binnen een cultuur opgroeien een groot deel van de normen en waarden van die cultuur als vanzelfsprekend beschouwen, en geneigd zullen zijn het gedrag van anderen op basis van die normen en waarden te beoordelen.

De Bijbel bevat de wet die God aan de Israëlieten gaf. Stel dat we een willekeurig persoon uit de wereldgeschiedenis zouden pikken, uit één van de duizenden culturen één iemand zouden selecteren, en hem de Bijbel zouden laten lezen. Hoe groot is dan de kans dat er zaken zijn waar hij het in eerste instantie niet mee eens is? Gezien de grote diversiteit aan meningen is die kans aanzienlijk! Stel dat we hetzelfde zouden doen met tien verschillende mensen, allemaal uit andere tijden en culturen. Zou er iemand bij zitten die het er volledig mee eens is? Onwaarschijnlijk. Zou er überhaupt één cultuur zijn die precies aansluit bij de moraliteit van de Bijbel? Ik waag het te betwijfelen.

Dus laten we redelijk zijn. Puur en alleen aan de hand van de grote diversiteit aan culturen kunnen we al zeggen dat het buitengewoon vreemd zou zijn als Gods moraliteit precies aan zou sluiten bij de onze. Bovendien zou het bewustzijn van culturele diversiteit veel van de ‘vanzelfsprekendheid’ waarmee we bepaalde standpunten aanhangen weg moeten nemen. Louter het feit dat homoseksualiteit binnen onze cultuur geaccepteerd is (waarmee we als cultuur tot de uitzonderingen behoren), wil nog niet zeggen dat dit ook werkelijk is hoe het zou moeten zijn.

Argumenten van afschuw kunnen hierdoor nooit valide argumenten tegen Gods goedheid zijn. Het zijn emotionele drogredenen: we zijn het er niet mee eens omdat we het er niet mee eens willen zijn. Dat is geen valide basis voor wat voor argumentatie dan ook.9

De moeder van alle vraagstukken: het lijden in de wereld

De meest voorkomende manier waarop Gods goedheid wordt aangevallen is de vraag waarom Hij het lijden toelaat. Vaak wordt het lijden aangehaald als argument om niet in het bestaan van God te geloven. Er zijn grofweg twee motieven waarmee de vraag gesteld kan worden. Er zijn mensen die veel ellende hebben meegemaakt of gezien, en zich oprecht afvragen hoe het zit, en waarom God er niets aan schijnt te doen. En er zijn mensen voor wie dit simpelweg een theoretisch excuus is om niet in God te hoeven geloven. Tevens zijn er twee versies van het argument: een rationele versie en een emotionele versie.

We zullen beginnen met de  rationele versie. In formele vorm zou het argument in twee syllogismen weergegeven kunnen worden. Het eerste syllogisme is:

1. De God van het christendom is goed
2. De God van het christendom is almachtig
 De God van het christendom zou er voor zorgen dat er geen lijden in de wereld is

De conclusie wordt vervolgens gebruikt als premisse voor de tweede stap van het argument:

1. De God van het christendom zou er voor zorgen dat er geen lijden in de wereld is
2. Er is wel lijden in de wereld
 De God van het christendom kan niet bestaan

Deze redenering loopt echter spaak. Het eerste syllogisme is een non sequitur; de conclusie volgt niet uit de premissen. Om de conclusie te rechtvaardigen moeten er maar liefst twee extra aannames worden gedaan, hieronder weergegeven als premissen 3 en 4.

1. De God van het christendom is goed
2. De God van het christendom is almachtig
3. Gods ‘goedheid’ houdt in dat Hij tegen lijden is
4. Er zijn geen gegronde redenen om lijden toch toe te staan
 De God van het christendom zou er voor zorgen dat er geen lijden in de wereld is

Indien iemand het lijden in de wereld als rationeel argument tegen God wil gebruiken, zal hij moeten motiveren waarom premissen 3 en 4 op zijn minst aannemelijk zijn. Maar vooral een motivering bij premisse 4 lijkt moeilijk te realiseren; en er kleven juist grote bezwaren aan.

Met premisse 3 zouden we het nog enigszins eens kunnen zijn. Maar wel met de extra opmerking dat Gods goedheid niet louter inhoudt dat Hij tegen lijden is. Gods goedheid betekent onder andere ook dat Hij rechtvaardig is, en dat Hij wil dat we dingen ervaren en leren. Het is helemaal niet gezegd dat het voorkomen van leed bovenaan Gods prioriteitenlijstje staat. Integendeel; vanuit de Bijbel kunnen we leren dat God andere dingen veel belangrijker vindt.

Paulus schreef bijvoorbeeld (Romeinen 8:17): “Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister.” En (2 Korintiërs 4:17): “De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.” En (Romeinen 5:3-4): “En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt, volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop.” En ook in het beroemde verhaal van Job zien we dat God in eerste instantie niet zozeer kijkt naar Jobs omstandigheden, maar naar Jobs houding in weerwil van zijn omstandigheden (Job 1 en 2).

De zojuist geciteerde verzen plaatsen een voetnoot bij premisse 3, maar zijn absoluut dodelijk voor premisse 4. We zien namelijk dat leed een hoger doel dient, en er dus gegronde redenen zijn om het lijden toe te staan en er zelfs niet eens rouwig om te zijn. Er kunnen allerlei redenen zijn om leed toe te staan, bijvoorbeeld om ons dingen te leren (zoals in Romeinen 5:3-4), om anderen (die het leed observeren) iets te leren, om ons te toetsen, om ons te corrigeren, om onze trouw aan derden te bewijzen (zoals Job) of simpelweg omdat Gods rechtvaardigheid vereist dat we gestraft worden. En ook al zouden al deze redenen uitgesloten kunnen worden, dan begaat de atheïst alsnog de drogreden argumentum ad ignorantiam, omdat er nog allerlei redenen kunnen zijn die ons simpelweg niet bekend zijn.

De formele, rationele versie van het argument faalt dus hopeloos. Toch zijn veel mensen zó geraakt door de ellende die ze hebben gezien of meegemaakt, dat ze dit antwoord niet bevredigend vinden en het lijden alsnog aangrijpen als reden om niet te geloven in (of vertrouwen op) God. Dat is natuurlijk ieders eigen keuze, maar dan moeten we wel eerlijk erkennen dat dit gebaseerd is op emotie, en het niet beschouwen als een logisch argument. Woorden van troost zijn hier dus meer op hun plaats dan een ‘weerlegging’.

De mensen die oprechte vragen hebben over het lijden, en erkennen dat dit geen rationele maar een emotionele kwestie is, zou ik aanmoedigen het volgende te doen. Neem in gedachten het hele seculier humanistische wereldbeeld door. Denk eens goed na over die wereldbeschouwing. Het heelal is miljarden jaren geleden zonder bedoeling of reden ontstaan. Op een klein planeetje, een niets voorstellend stofje aan de rand van een weinig  bijzonder sterrenstelsel, ontstonden per toeval zelfreproducerende units die, doordat de één zich efficiënter voortplantte dan de ander, evolueerden tot steeds complexere eenheden, totdat het voor enkele van hen een reproductievoordeel opleverde om een zelfbewustzijn te ontwikkelen. Waarom leverde dat een reproductievoordeel op? Omdat het de verspreiding van de genen ten goede komt als het lichaam waarin die genen zich bevinden in staat is om plezier, honger, dorst, hitte, kou en pijn te ervaren; mits het lichaam op zo’n manier geprogrammeerd is dat dingen die voordelig zijn voor de verspreiding van de genen plezier opleveren, en dingen die nadelig zijn voor de verspreiding van de genen pijn opleveren. En dat is dus wat wij zijn: geëvolueerde wezens, zonder doel. We hebben enkele decennia de tijd om samen met onze mededieren (andere mensen) zo gelukkig mogelijk te zijn en betekenis te geven aan onze levens. En heel binnenkort is het met onszelf afgelopen. Enkele generaties nakomelingen hebben nog herinneringen aan ons, maar ook daar komt gauw een eind aan. Op den duur zal de hele mensheid uitsterven. De komende miljarden jaren zal de zon steeds heter worden en het leven op aarde vernietigen. Uiteindelijk zal het heelal door de almaar toenemende entropie een ‘hittedood’ sterven. Er is geen leven na de dood. Geen hoop voor de iets verdere toekomst. Alles wat wij hebben gedaan, alles wat wij hebben meegemaakt en gevoeld, is uiteindelijk volledig betekenisloos.

Klinkt onaantrekkelijk? Atheïsten schetsen meestal een meer geromantiseerd plaatje van hun ideeën over de geschiedenis en toekomst van het heelal. Maar dit is gewoon waar het op neerkomt. Goede en slechte dingen bestaan niet. Dingen gebeuren gewoon, en de kosmos is onverschillig. Ons lijden heeft geen betekenis. Het zal nooit vereffend worden. Het zal zelfs nooit erkend worden.

Maar alles verandert totaal als we ons realiseren dat de wereld is gemaakt door een persoonlijke Schepper. Nu is ons beeld van God door verkeerde stereotyperingen of overmatig theoretisch gebruik behoorlijk vertroebeld, waardoor we een veel te saai idee hebben van God, terwijl Hij in feite de meest fascinerende Persoon is die er bestaat. Het is bijna onmogelijk met woorden uit te leggen, maar laat ik er toch iets over zeggen. Denk eens aan alle mensen die je respecteert. Haal je alle mensen voor de geest van wie je houdt of die je op één of andere manier waardeert. En denk aan alle goede eigenschappen van al deze mensen. Al hun positieve karaktereigenschappen en al hun talenten. Wel, Degene die hen gemaakt heeft, heeft al deze goede eigenschappen óók, maar dan in nog veel grotere mate. En denk aan het briljante ontwerp van levende wezens, en de manier waarop allerlei onderdelen op nauwgezette wijze met elkaar samenwerken, op de niveaus van organen, weefsels, cellen, organellen en eiwitten. De Schepper heeft dit op geniale wijze gemaakt. En het heelal? Dat heeft Hij er en passent eventjes bijgemaakt om ons te laten genieten van zijn schepping.

Bovendien heeft Hij ons gemaakt met een doel.10 Alles wat wij doen en meemaken heeft wel degelijk betekenis. Na dit leven is er een wederopstanding en zal er rechtvaardig geoordeeld worden. Over de toekomst zei Jezus het volgende (Lucas 6:20-21): “Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen.” Er is dus wel erkenning van ons lijden. En er is wel genoegdoening. Er is wel hoop voor de toekomst.

De ware ethiek

Eén heel belangrijk punt moet nog behandeld worden, namelijk een ziekelijke hypocrisie waaraan wij lijden, maar die bijna nooit onder de aandacht wordt gebracht. Wij mensen maken ons namelijk nogal erg druk over de dingen die ons overkomen. We kunnen erg kwaad zijn over de dingen die andere mensen ons aandoen. Maar staan we ooit stil bij wat wij God aandoen door te zondigen? Bedenkt iemand zich ooit dat onze Maker het verschrikkelijk vindt dat wij zijn oorspronkelijke bedoelingen compleet verpesten? Als er iets is waar wij om zouden moeten rouwen, dan is dat in de eerste plaats niet ons lijden, maar ons zondigen. Als er iets is dat ons woedend zou moeten maken, dan is het wel ons eigen voorbijschieten aan het doel van ons bestaan.

Dit is geen vergezochte theologie, maar een logische deductie vanuit de aanname dat de wereld is gemaakt door een morele Schepper. Hij heeft ons gemaakt, dus zijn doelstellingen met deze wereld zijn bepalend voor wat deugdelijk is. Nastreven te doen waarvoor God je heeft gemaakt, dát is wat goed is. Dát is ethisch verantwoord. Dát is de ware ethiek.

Voetnoten

1. Dit essay is geschreven voor het vak 'Geschiedenis van de Ethiek' aan de Universiteit Wageningen. Het is beoordeeld met een 9.

2. Ondanks dat dit helemaal geen ingewikkelde redenering is, weten veel atheïsten het alsnog te presteren dit volledig verkeerd te interpreteren. Ze denken dat ik hiermee wil zeggen dat atheïsten immoreel zijn, en dat de levens van atheïsten geen waarde hebben. Maar dat is het punt niet. Het punt is dat er onder een atheïstisch wereldbeeld geen objectieve moraal bestaat; we leven dan in een ‘amorele’ of moreelneutrale wereld. En onder dat wereldbeeld heeft niets intrinsieke waarde: noch de levens van atheïsten, noch de levens van christenen. Onder een christelijk wereldbeeld, daarentegen, hebben de levens van zowel christenen als atheïsten waarde.

3. Zonder God bestaat er geen objectieve moraliteit. (‘Objectief’ wil zeggen: onafhankelijk van de menselijke opinie.) Dat kun je ook omdraaien: als iemand bij hoog en laag beweert dat er wel een objectieve moraliteit bestaat, volgt daaruit dat er een God moet zijn.

4. Onze kennis van goed en kwaad is niet volmaakt, doordat het door allerlei interne en externe factoren beïnvloed wordt. We zijn schepsels van God, maar we zijn net zo goed kinderen van onze cultuur.

5. Op dit punt is mijn betoog kwetsbaar voor de volgende aanval: ‘Ja hallo, je zegt wel dat de uitspraak dat religie tot moord en verderf leidt slechts een opruiende kreet is, maar heb je in het begin van dit essay niet precies hetzelfde gedaan, toen je beweerde dat atheïsme geen fundering biedt voor ethiek?’ Dat klopt inderdaad. Mijn punt dat atheïsme geen basis biedt voor moraal is in zichzelf geen argument tegen atheïsme, en dat heb ik ook niet als zodanig gepresenteerd. Het is echter wel een argument tegen alle ethische stelsels die niet van een Schepper uitgaan, waaronder het seculier humanisme. Humanisme is een ethisch stelsel zonder fundament. Dat in tegenstelling tot het christendom.

6. Laat de atheïst nou niet gaan roepen dat hij geen ‘gelovige’ is. Iedereen gelooft in bepaalde dingen, en wel zonder enig bewijs. Iedereen heeft een wereldbeeld (een stelsel van ideeën over waar we vandaan komen, wat we wel en niet mogen doen, en eventueel waar we naartoe gaan) dat uiteindelijk terug te voeren is op een aantal onbewijsbare axioma’s. Ook atheïsten doen allerlei ongefundeerde aannames, zoals dat de wereld echt bestaat (en niet slechts een illusie is), dat het universum ofwel ontstaan is door een onveroorzaakte oorzaak ofwel oneindig oud is, dat ze enigszins op hun zintuigen kunnen vertrouwen, dat ze enigszins op hun ratio kunnen vertrouwen, dat verkrachting slecht is, et cetera.

7. Uit het artikel ‘Faith does breed charity’, 12 september 2005. In de oorspronkelijke taal: “The Salvation Army has been given a special status as provider-in-chief of American disaster relief. But its work is being augmented by all sorts of other groups. Almost all of them have a religious origin and character. Notable by their absence are teams from rationalist societies, free thinkers' clubs and atheists' associations - the sort of people who not only scoff at religion's intellectual absurdity but also regard it as a positive force for evil. […] Good works, John Wesley insisted, are no guarantee of a place in heaven. But they are most likely to be performed by people who believe that heaven exists. The correlation is so clear that it is impossible to doubt that faith and charity go hand in hand.

8. Onze cultuur heeft op al die punten overigens zeer extreme ideeën (soms in positieve, soms in negatieve zin). De verschillen tussen man en vrouw zijn tot het biologisch begrensde minimum beperkt, we trouwen pas met de partner van onze eigen keuze na meerdere experimentele relaties, de ouderlijke beschikking over eenmaal geboren kinderen is minimaal, de doodstraf en lijfstraffen zijn afgeschaft en straffen zijn over de hele linie milder dan ooit, slavernij is vervangen door minimumlonen en riante arbeidsvoorwaarden, en we mogen zelf onze leiders kiezen. In deze maatschappij heeft individuele zelfontwikkeling de hoogste prioriteit; hoger dan zorg voor bejaarde ouders, hoger dan trouw aan de echtgenoot, hoger dan de levens van ongeboren kinderen.

9. Wat wel een valide argumentatievorm zou zijn, is aantonen dat God inconsistent is in zijn morele wetten en opdrachten. Dan leg je God eigenlijk langs zijn eigen maatstaf. Mijn inziens is een dergelijke inconsistentie nog nooit aangetoond.
Merk op dat een gebod als ‘gij zult niet doden’ niet in tegenspraak is met mensen doden in een oorlog of het uitvoeren van de doodstraf. Het verbod op moord betreft privaatrecht, niet het staatsrecht.
Merk ook op dat God niet onder de wet staat die Hij ons oplegt. Dat Hij ons het recht ontzegt uit persoonlijk initiatief iemand te vermoorden, wil nog niet zeggen dat Hij zichzelf dat recht ook ontzegt. (Als Schepper is Hij immers de rechtmatige Eigenaar van ieder mens. Bovendien zagen we eerder dat een mensenleven slechts waarde heeft omdat God er waarde aan hecht. Daaruit volgt dat God in de positie is over ons lot te beschikken.)

10. Wat is dat doel dan? God kan ieder van ons natuurlijk met een uniek, persoonlijk doel hebben gemaakt, maar het algemene doel van ons mensen is een relatie met God te hebben en God te prijzen en aanbidden. ‘God prijzen en aanbidden’ klinkt behoorlijk saai, maar het is in feite jargon voor ‘uitdrukking geven aan onze verwondering over wie Hij is en wat Hij doet en maakt.’ En gezien de ontzagwekkendheid van de schepping is dat geen moeilijke en al helemaal geen saaie taak. Het is voor ons juist heel vanzelfsprekend om onze verwondering uit te drukken. (Voorbeeld: maar weinig mensen zouden over de Grand Canyon vliegen zonder hun verwondering over het uitzicht te uiten.)

 
Evolutie.EU, Powered by Joomla!; Joomla templates by SG web hosting