Afdrukken

Dit artikel valt onder de paraplu van het overkoepelende artikel De zondvloed en het fossielenarchief. Hier wordt specifiek één van de creationistische hypotheses over het ontstaan van de fossielenvolgorde besproken.

 

TAB’s als verklaring voor de consistente volgorde van fossielen

Een veelbelovend mechanisme voor het ontstaan van een (nagenoeg) consistente volgorde in het fossielenarchief wordt voorgesteld door John Woodmorappe’s TAB-model (Woodmorappe, 1983). TAB staat voor ‘Tectonically-Associated Biological Province’. Volgens dit model bestonden er voor de zondvloed vier of meer ‘biologische provincies’, voortaan TAB’s genoemd, die ieder door hun eigen karakteristieke levensvormen bewoond werden. (Er kunnen veel meer TAB’s geweest zijn, maar in de uitleg die hier gegeven wordt zullen we uitgaan van slechts vier TAB’s.) Iedere TAB was in vele gebiedjes van ieder enkele tienduizenden vierkante kilometers versnipperd. De hele wereld, inclusief de oceanen, was dus verdeeld in vele gebiedjes die tot één van de TAB’s behoorden.

Afbeelding 1: De voorzondvloedse aarde, verdeeld in vier biologische provincies. We zien het voorzondvloedse supercontinent, met daarop grote continentale zeeën. Deze afbeelding is slechts illustratief, niet waarheidsgetrouw. In realiteit zullen er veel meer continentale zeeën zijn geweest en zal de ligging van de TAB’s anders geweest zijn.

De vier biologische provincies komen grofweg overeen met de aardlagen die aan de volgende ‘perioden’ zijn toegeschreven:

TAB I: Onder Paleozoïcum: Cambrium, Ordovicium en Siluur.
TAB II: Boven Paleozoïcum: Devoon, Carboon en Perm.
TAB III: Mesozoïcum: Trias, Jura en Krijt.
Tab IV: Cenozoïcum: Paleogeen en Neogeen (het Kwartair is waarschijnlijk post-zondvloed).

TAB I was volledig marien, aangezien daar nagenoeg uitsluitend fossielen van in de oceaan levende organismen gevonden worden, terwijl TAB’s II, III en IV ook voor een substantieel deel terrestrieel waren. In TAB III heersten de welbekende dinosauriërs, ichthyosauriërs, pterosauriërs en plesiosauria. Er leefden ook enkele kleinere zoogdieren. TAB IV was echter het echte terrein van de zoogdieren. Veel schepsels die hier leefden bestaan tegenwoordig ook nog.

Tot dusverre wijkt dit verhaal over TAB’s weinig af van de eerdere bespreking over ecosystemen, en vraagt de lezer zich misschien af wat nou eigenlijk het verschil is. Verschillende ecosystemen bestaan tegenwoordig, dus zullen ze voor de zondvloed ook wel bestaan hebben. Maar hoe verklaart dat de volgorde in de fossielen? Opnieuw a.d.h.v. hoogteverschillen?

Het grote verschil met de eerder genoemde ‘ecologische zonering’-hypothese is dat het TAB-model stelt dat de verschillende TAB’s niet alleen in flora en fauna van elkaar verschillen, maar ook verschillen in hun tektonische kenmerken en inclinaties.

Creationisten nemen over het algemeen aan dat er tijdens de zondvloed grote (tektonische) aardverschuivingen hebben plaatsgevonden, waardoor de continentale platen hun huidige posities hebben ingenomen (Baumgardner, 1994; Brown, 2009). Het TAB-model stelt dat de gebieden van TAB I de grootste neiging hadden tot neerwaartse beweging, wanneer deze plaatverschuivingen eenmaal op gang waren gekomen. TAB II had als volgende de grootste neiging tot ‘verzakking’, vervolgens TAB III en ten slotte TAB IV.

Hier volgt een uitleg van hoe deze link tussen biologische provincies en tektonische inclinatie het consistent voorkomen van de volgorde Onder Paleozoïcum – Boven Paleozoïcum – Mesozoïcum – Cenozoïcum verklaart. Stel je een prezondvloedse regio als volgt voor:

Afbeelding 2: Gebieden van TAB’s I, II en III, binnen een omringend gebied van TAB IV. Continentale zeeën en lokale hoogteverschillen staan hier niet afgebeeld.

Het water van de zondvloed overspoelt het gebied, zorgt voor erosie en sedimentatie en begraaft de plaatselijke flora en fauna in dikke lagen sediment. (Wellicht met uitzondering van landleven dat naar lokale heuvels kan vluchten, vogels die wegvliegen en waterdieren die niet te dicht bij de bodem leven, of mobiel genoeg zijn om te ontkomen.)

Vervolgens zakt het gebied van TAB I in. (Misschien onder tektonische krachten. Of misschien bevonden zich onder de gebieden van TAB I ondergrondse waterreservoirs die aan het begin van de zondvloed openbraken (Genesis 7:11). Door het naar boven spuiten van het water zouden de gebieden boven de voormalige waterreservoirs inzakken.) Het gevolg hiervan is een gigantische verplaatsing van water vanuit de omliggende TAB’s naar TAB I. Met het water zouden enorme hoeveelheden materiaal (geërodeerd gesteente, maar ook planten en dieren) tientallen kilometers ver meespoelen, en in het neergezakte gebied als sediment afgezet worden. Het sediment uit de omliggende TAB’s wordt dus bovenop dat van TAB I afgezet.

Afbeeldingen 3 en 4: TAB I zakt in. Als gevolg hiervan stromen grote hoeveelheden water en sediment vanuit de omliggende gebieden naar TAB I. Hierdoor worden gesteenten van TAB’s II, III en IV bovenop dat van TAB I afgezet.

In de volgende fase van de vloed blijft TAB I inzakken, en begint ook TAB II in te zakken. Water en sediment spoelen vanuit TAB’s III en IV naar de gebieden van TAB II, en sediment van III en IV worden bovenop II afgezet.

Afbeeldingen 5 en 6: Ook TAB II zakt in, en sediment wordt vanuit III en IV afgezet bovenop dat van II.

Vervolgens zakt TAB III in (of wordt TAB IV omhoog geduwd, wat hetzelfde effect geeft), waardoor water en sediment vanuit TAB IV naar III spoelt en daar zorgt voor de afzetting van IV-gesteenten bovenop III-gesteenten.

Afbeeldingen 7 en 8: Inzakking van TAB III (of opstuwing van TAB IV) zorgt voor afzetting van sediment (en daarin organismen) vanuit TAB IV bovenop die van TAB III.

Wat zou het stratigrafische eindresultaat zijn van deze sequentie van gebeurtenissen? Laten we eens kijken naar het gebied op en rond het hoekpunt van TAB’s II, III en IV. In afbeelding 14 hieronder staan met letters zeven locaties aangegeven. In afbeelding 15 worden verticale doorsneden van deze locaties weergegeven.

Afbeelding 9: Zeven locaties rond het snijpunt tussen drie TAB’s.

Afbeelding 10: De verticale doorsneden van de zeven locaties. De doorsneden geven de volgorde aan van de aardlagen afkomstig uit de verschillende TAB’s.

Het is duidelijk dat het hierboven beschreven mechanisme de algemene volgorde veroorzaakt die we in het fossielenbestand aantreffen. Op locaties in de centra van TAB’s vinden we alleen lagen van die TAB. In grensgebieden tussen twee TAB’s treffen we beide TAB’s aan, maar altijd op volgorde van inzakking (van beneden naar boven). In grensgebieden tussen drie of vier TAB’s kunnen we zelfs drie of vier TAB’s verticaal boven elkaar afgezet waarnemen, maar altijd in de volgorde I-II-III-IV.

TAB’s en uitstervingen

De TAB hypothese verklaart niet alleen de algemene volgorde in het fossielenarchief (Laag Paleozoïcum – Hoog Paleozoïcum – Mesozoïcum – Cenozoïcum), maar het verklaart ook waarom de meeste soorten die in de onderste aardlagen worden aangetroffen tegenwoordig niet meer voorkomen. Naarmate we naar hogere aardlagen kijken, zien we steeds meer soorten die nu nog steeds bestaan.

De verklaring hiervoor is vrij simpel. Hoe dieper een groep voorzondvloedse organismen begraven werd, hoe kleiner de kans dat enkele van deze organismen (of hun eieren, larven of pollen) de vloed overleefden en dus de kans kregen zich na de zondvloed opnieuw voort te planten. Dus van TAB I overleefde slechts een zeer klein percentage van de soorten de zondvloed, terwijl van TAB IV een relatief groot percentage overleefde.

Dit effect versterkt zichzelf. Samenlevende soorten organismen zijn namelijk op allerlei manier van elkaar afhankelijk, via mutualisme, parasitisme, commensalisme en voedselketens. Het uit een ecosysteem verdwijnen van één soort kan een grote impact hebben op vele andere soorten. Zo zal ook het verdwijnen van de meeste tot TAB I behorende soorten nadelig zijn geweest voor degenen die het wél overleefden, waardoor ook zij weinig kans hadden zich weer te herstellen. Het lijkt er dus op dat TAB IV, waarvan de meeste soorten overleefden, de andere TAB’s op die manier grotendeels weggeconcurreerd heeft, vooral aangezien er in de postzondvloedse wereld geen sprake meer was van duidelijk afgekaderde biologische provincies.

De dieren die mee waren op de Ark (gewervelde landdieren) behoorden nagenoeg uitsluitend tot TAB’s III en IV. Om dezelfde reden als hierboven aangegeven zijn de dieren van TAB IV succesvoller geweest dan die van TAB III.

Combinatie van factoren

Differentiële overleving, hydrologische sortering en ecologische zonering hebben op twee manieren een belangrijke invloed op het TAB mechanisme:

  1. Ze kunnen binnen de TAB’s een extra sorterende rol spelen.
  2. Ze kunnen het sorterende mechanisme van de TAB’s voor individuele taxa versterken of verzwakken.

1. De extra sorterende rol binnen de TAB’s kan gezorgd hebben voor de fijnere en meer gedetailleerde opeenvolging van fossielen. Ecologische zonering zal hierin een grote rol hebben gespeeld, want ook binnen de TAB’s zullen er verschillende ecosystemen en biotopen bestaan hebben. De hoogte waarop groepen organismen leven heeft een grote invloed op de uiteindelijke stratigrafische positie waarin ze terechtkomen. Voor waterdieren geldt dat degenen die op de bodem leven (zoals sponzen) dieper begraven zullen worden dan degenen die meer aan het wateroppervlakte leven (zoals zeezoogdieren). En voor terrestrische organismen geldt dat soorten die langs de kust leven in diepere lagen terecht komen dan soorten die in het hooggebergte leven.

2. Andere sorteringsmechanismen kunnen het sorterende effect van de TAB’s natuurlijk versterkt of juist verzwakt hebben. Wanneer een organisme in TAB I leefde, en ook nog eens op de zeebodem woonde, zal deze ecologische factor het sorterende effect van de TAB’s enorm versterken. Dit soort organismen hebben een extra grote kans louter in het Laag Paleozoïcum gevonden te worden, en waarschijnlijk ook nog eens in de onderste aardlagen van deze TAB (het Cambrium). Maar wanneer een organisme van TAB I vlak onder het wateroppervlakte leefde, zal deze ecologische factor het sorterende effect van de TAB’s verzwakken, en is er een goede kans dat het organisme ook in lagen van andere TAB’s terecht is gekomen. Zéker wanneer het een erg mobiel organisme betreft.

Of de combinatie van de overige drie factoren een versterkende of verzwakkende werking had, verschilt per taxon. Groepen organismen waarbij het een verzwakkende werking had, zouden in meerdere lagen gevonden kunnen worden dan enkel de lagen die tot hun TAB behoren. Die zullen een langere stratigrafische range hebben. Groepen waarbij het een versterkende werking had, zullen over het algemeen een korte stratigrafische range hebben.

Theoretisch

Er moet benadrukt worden dat het TAB-model slechts een hypothese is, die zeker nog niet rigoureus getoetst is. Eigenlijk is er na Woodmorappe’s publicatie van 1983 amper tot geen follow-up geweest. Bij gevolg is het niet bekend in hoeverre het TAB-model de ware toedracht benadert. Hoe veelbelovend het TAB-mechanisme ook moge zijn, vooralsnog is dit niet meer dan een puur theoretische oplossing.

Zie De zondvloed en het fossielenarchief voor meer informatie over de volgorde in het fossielenarchief.

Referenties

Baumgardner, 1994, Computer Modeling of the Large Scale Tectonics Associated With the Genesis Flood, The Proceedings of the Third International Conference on Creationism, pp. 48-62

Brown, 2009, In the Beginning, Compelling Evidence for Creation and the Flood, 8th edition

Woodmorappe, 1983, A Diluviological Treatise on the Stratigraphic Separation of Fossils, Creation Research Soceity Quarterly, vol. 20, no. 3, pp. 133-185

 
Evolutie.EU, Powered by Joomla!; Joomla templates by SG web hosting