Afdrukken

Fedor Steemans ‘Tien Hoofdargumenten Tegen het Creationisme’


Argument 1

“Wetenschappelijk verklaart creationisme niets.”

Het kenmerk van een wetenschappelijke theorie of hypothese is dat het geheel gefalsificeerd moet kunnen worden, ofwel verworpen na toetsing. Kan het überhaupt niet gefalsificeerd worden, dan is het per definitie niet wetenschappelijk.

Tot zover kunnen we het hartelijk met Fedor eens zijn. Ook creationisten accepteren over het algemeen het demarcatiecriterium van Karl Popper, dat theorieën en hypotheses falsifieerbaar moeten zijn om ‘wetenschappelijk’ genoemd te mogen worden.

Wetenschappelijk gezien verklaart het creationisme niets omdat het uitgaat van een Schepper, ofwel een persoonlijke, bewuste, en intelligente ontwerper. Een Schepper kan niet gefalsificeerd kan [sic] worden, en kan dus geen deel uitmaken van een wetenschappelijke theorie, om de volgende twee redenen:

Als een Schepper al bestaat, bevindt het zich in elk geval niet in het door ons waarneembare deel van de werkelijkheid en kan dus niet getoetst worden.

Dit lijkt in eerste instantie correct. Het is onmogelijk om te bewijzen dat een bovennatuurlijke Schepper, in de meest algemene en niet-gespecificeerde zin van het woord, niet bestaat. Een bovennatuurlijke Schepper is dus niet falsifieerbaar. Hieruit volgt dus ook dat atheïsten die beweren dat God niet bestaat, geen enkel bewijs hebben voor die bewering. Maar waar het nu om gaat is dat Fedor concludeert dat creationisme onwetenschappelijk is.

Fedors redenering loopt echter spaak op het volgende punt: hoewel het bestaan van een bovennatuurlijke Schepper, zonder verdere specificaties over zijn activiteiten, niet toetsbaar is, kunnen zijn inmengingen in de waarneembare wereld dat wel zijn. Bijvoorbeeld de zondvloed, één van Gods belangrijkste interventies, was een grootschalige gebeurtenis in de waarneembare wereld. Dit moet waarneembare gevolgen hebben gehad, en kan dus door ons onderzocht worden.

Ten tweede, al is (het bestaan van) de Schepper niet falsifieerbaar, andere onderdelen van creationistische theorieën kunnen dat wel zijn. Een theorie moet toetsbare voorspellingen doen, maar waarom zouden alle aspecten van een theorie falsifieerbaar moeten zijn?

Laat ik hier iets over uitweiden. Iedere theorie over gebeurtenissen in het verre verleden begint met een aantal aannames, of een begintoestand. De algemene evolutietheorie begint met een gezamenlijke voorouder, waarvan alle organismen afstammen. Maar is het bestaan van dat organisme, meer dan 3 miljard jaar geleden, falsifieerbaar? Wat voor toetsbare voorspellingen volgen er uit het voormalige bestaan van dat organisme?

Het bestaan van die oerlevensvorm is volstrekt onfalsifieerbaar, dus niet alle beginaannames van de algemene evolutietheorie zijn toetsbaar. Eveneens is het bestaan van een Schepper niet falsifieerbaar, dus niet alle beginaannames van het scheppingsmodel zijn toetsbaar. Als alle aspecten van een theorie toetsbaar moeten zijn om de status ‘wetenschappelijk’ te verkrijgen, zijn beide modellen onwetenschappelijk.

Ten derde is het mijn opvatting dat het algemene scheppingsraamwerk (schepping, zondvloed, spraakverwarring, zes duizend jaar) inderdaad niet wetenschappelijk is, maar op geloof aangenomen wordt. Dit niet op grond van Poppers demarcatiecriterium, maar op andere gronden. Exact hetzelfde geldt echter voor het evolutieraamwerk (miljarden jaren, gezamenlijke afstamming). Waarom beide raamwerken of wereldbeelden onwetenschappelijk zijn bespreek ik bij Argument 3.

Dit kan worden geïllustreerd met een verhaal over iemand die ik ken. Dit persoon beweerde dat buitenaardse wezens de moderne mens genetisch moesten hebben gemodificeerd, omdat ze vond dat we zo apart van onze naaste verwanten, apen, en de rest van de natuur staan. Wat ik vind van onze veronderstelde discontinuïteit met de natuur kan gezien worden onder Ad VI. Wat betreft het gebruik van een hulptheorie die buitenaardse wezens betrekt: het moge duidelijk zijn dat deze theorie geen verklarende waarde heeft, want nu moet je weer verklaren waar die buitenaardse wezens vandaan komen en hoe zij zijn geëvolueerd.

Dit heeft raakvlak met een belangrijke filosofische kwestie: was er een oneindige regressie van eerdere oorzaken, of was er een eerste onveroorzaakte oorzaak? Neem de volgende anekdote:

A well-known scientist (some say it was the philosopher Bertrand Russell) once gave a public lecture on astronomy. He described how the Earth orbits around the sun and how the sun, in turn, orbits around the centre of a vast collection of stars called our galaxy. At the end of the lecture, a little old lady at the back of the room got up and said: “What you have told us is rubbish. The world is really a flat plate supported on the back of a giant tortoise.” The scientist gave a superior smile before replying, “What is the tortoise standing on?” “You’re very clever, young man, very clever,” said the old lady. “But it’s turtles all the way down!”1

Misschien vindt de lezer het antwoord van de vrouw belachelijk. Maar het idee van een oneindige reeks schildpadden komt in feite op hetzelfde neer als geloof in een oneindige reeks van eerdere oorzaken. Het alternatief is aannemen dat er ooit een eerste oorzaak was, die zelf niet veroorzaakt is.

Dus of je accepteert dat er eens een eerste oorzaak was, en dan heeft het verder geen zin om die oorzaak weer te verklaren, of je moet een oneindige reeks verklaringen geven voor eerdere oorzaken. Fedor vindt dat de persoon uit zijn verhaal nu moet verklaren waar de aliens vandaan komen, maar op dezelfde wijze kun je voor eeuwig doorvragen naar de oorzaak van de oorzaak van de oorzaak van (bijvoorbeeld) de oerknal. Een ander alternatief is dat de schepping van de wereld onderdeel was van de Eerste Oorzaak, en dat de Schepper Zelf geen oorzaak heeft.

Behalve dat, lijkt het erg waarschijnlijk dat we hier te maken hebben met een manier om fenomenen te verklaren uit een tijd toen kennis nog niet zo ver reikte als nu het geval is (hoewel we nog veel te leren hebben, ja, ja.). Mensen moesten daarom zaken, die hun begrip voorbij gingen, verklaren met behulp van analogieën, door te verwijzen naar iets wat ze zich konden voorstellen. De waarneming dat mensen in staat zijn complexe zaken te creëren, werd mogelijk geprojecteerd in een superieur creatief wezen om de complexiteit van de wereld te verklaren. Ik heb bezwaar tegen een dergelijke antropomorfe, dus voor de hand liggende, manier om naar de werkelijkheid te kijken.

Dat het Hebreeuwse volk minder kennis had van de werkingen der natuur zal ongetwijfeld kloppen. Maar dat ze om die reden een God ‘verzonnen’ is niets anders dan een ongegronde aanname van Fedors kant. Volgens de Bijbel kende de mensheid God al vanaf het begin. En er zijn inderdaad aanwijzingen dat de vroegste beschavingen (Sumerië, China, India) oorspronkelijk monotheïstisch waren. De oudste relevante bronnen komen van Ebla in Syrië. Op de kleitabletten van Ebla vinden we uitspraken als: ‘Lord of heaven and earth, the earth was not, you created it, the light of day was not, you created it, the morning light you had not made exist.2 Hetgeen duidelijk wijst op monotheïsme.

Maar misschien doelt Fedor op het ‘god of the gaps’-dilemma: god wordt ingevuld als verklaring voor verschijnselen die nog niet goed begrepen worden. Wanneer de kennis van de mens toeneemt, wordt het ‘gat’ opgevuld met de ware verklaring, maar dan zijn er wel weer andere gaten waarin een god gehuisvest kan worden. Met de optocht van menselijke kennis, bevindt de god van de gaten zich dus op een eeuwige terugtocht. Het is wel begrijpelijk dat Fedor hier bezwaar tegen heeft.

Maar andersom bestaat het gevaar dat het ‘god of the gaps’-argument gebruikt wordt om naturalisme in alle mogelijke gevallen te beschermen. Ook al zouden we een biologische structuur vinden die zó in elkaar zit dat het ondenkbaar is dat het via natuurlijke processen (zoals mutaties en natuurlijke selectie, het neo-darwinistische mechanisme) ontstaan is, dan nog kunnen evolutionisten tot in lengte van dagen blijven ontkennen dat ‘ontwerp’ een redelijke hypothese is, omdat de ontwerper dan een ‘god of the gaps’ zou zijn. Het ‘god of the gaps’-argument is dus eigenlijk een reden waarom de evolutietheorie niet falsifieerbaar is a.d.h.v. de complexiteit van het leven.

Hoe dan ook, het ‘god van de gaten’-argument is niet van toepassing op het Bijbelse scheppingsmodel. In tegenstelling tot het vage Intelligent Design heeft het scheppingsmodel een duidelijke structuur. De Bijbel zegt duidelijk dat God de wereld, de zon, de maan, de sterren, het leven, verschillende typen organismen en de mens geschapen heeft. Met andere woorden, het oog is door God gemaakt ongeacht of er een natuurlijke verklaring denkbaar is of niet. De zweepstaart van de bacterie is door God geschapen ongeacht of er een mogelijke evolutionaire route is via welke deze zou kunnen zijn ontstaan. Volgens het god van de gaten argument hangt de aan god toegeschreven rol sterk af van de mate waarin mensen alternatieve theorietjes kunnen bedenken, maar bij het scheppingsmodel is dat niet het geval.

Referenties

1. Stephen Hawking, A Brief History of Time, 1988
2. Pettinato, The Archives of Ebla, p. 259

Index          Argument 2

 
Evolutie.EU, Powered by Joomla!; Joomla templates by SG web hosting