Afdrukken

Fedor Steemans ‘Tien Hoofdargumenten Tegen het Creationisme’


Argument 7

“Ondanks wat sommige creationisten beweren, is evolutie wel degelijk een wetenschappelijke theorie die toetsbare voorspellingen produceert welke nog steeds dagelijks worden bevestigd door gegevens uit het fossielenbestand, de vergelijkende morfologie, biogeografie, moleculaire systematiek, en andere vakgebieden.”

Eén van de vele kritiekpunten die wetenschappers (waaronder creationisten) op de evolutietheorie hebben geuit is inderdaad haar plasticiteit: evolutie is zo flexibel dat het moeilijk is de theorie echt te testen. Dit komt doordat evolutionisten altijd wel een sub-hypothese kunnen bedenken (hoe onrealistisch die soms ook moge zijn) om gegevens weg te verklaren die in eerste instantie niet in de theorie lijken te passen. En evolutie is altijd compatibel met die sub-hypotheses.

Het is zelfs zo dat evolutie compatibel is met onderling tegenstrijdige sub-hypotheses. Een voorbeeld is dat evolutie, aldus haar aanhangers, zowel gradualistisch kan verlopen (in miniscule stapjes over miljoenen jaren), als via punctuated equilibria (korte sprintjes afgewisseld door lange perioden van stasis). Hiermee kunnen evolutionisten nu dus zowel geleidelijke overgangen in het fossielenbestand verklaren, als het abrupte verschijnen van nieuwe levensvormen, zonder tussenvormen, die vervolgens miljoenen jaren niet meer veranderen. De vraag is nu alleen nog maar wat het meest voorkomt, gradualisme of punctuated equilibria. (En dat wordt bepaald aan de hand van de gegevens, dus evolutie past zich moeilteloos aan die gegevens aan.)

Een ander voorbeeld is dat evolutionaire veranderingen zowel adaptief kunnen zijn, als neutraal. In het eerste geval zijn de veranderingen opgetreden onder invloed van natuurlijke selectie, en in het tweede geval niet. Dus evolutionisten kunnen zowel adaptieve eigenschappen als neutrale eigenschappen verklaren. Het debat is alleen nog welk verschijnsel domineert: selectieve of neutrale evolutie. (En dat wordt bepaald aan de hand van de te verklaren gegevens, dus evolutie past zich moeiteloos aan die gegevens aan.)

Hiermee wil ik niet suggereren dat neutrale veranderingen niet voorkomen, of dat adaptieve veranderingen niet voorkomen, maar het gaat erom dat het evolutieraamwerk (het scheppingsraamwerk ook trouwens) de beide tegenstrijdige verschijnselen kan incorporeren.

Merk op dat de elasticiteit om allerlei sub-hypotheses te incorporeren niets af doet aan de onveranderlijkheid van het statische evolutieraamwerk: dát evolutie heeft plaatsgevonden staat buiten alle discussie. Maar de mogelijkheid om allerlei (zelfs tegenstrijdige) sub-hypotheses te postuleren geeft oneindige mogelijkheden om het geloof dat evolutie heeft plaatsgevonden tegen nagenoeg alle mogelijke waarnemingen te beschermen.

Laten we eens kijken naar Fedors verdere argumentatie. Ondanks dat hij een indrukwekkend lijstje van wetenschappelijke disciplines noemt, geeft hij uiteindelijk maar één voorbeeld van een voorspelling op grond van evolutie die uitgekomen zou zijn. En ook dat voorbeeld blijft nogal vaag.

Om een eenvoudig voorbeeld te geven: Walvissen zijn in het water levende zoogdieren. Aangezien zoogdieren volgens de theorie op het land uit reptielen zijn ontwikkeld, beweerden wetenschappers al lange tijd dat er een tussenvorm moest bestaan tussen walvissen en landzoogdieren. Er werd ook al voorspeld in welke aardlagen en in welke omgeving deze tussenvormen gevonden zouden moeten worden, namelijk in Eocene afzettingen rond de oude Tethyszee, die ooit tussen Afrika en Eurazië liep. Kort geleden zijn er inderdaad van dat soort fossielen gevonden in het Eoceen van Pakistan, die ideale tussenvormen vormden. Zij bezaten duidelijke zowel landzoogdier-, als walvisachtige kenmerken. Dit vermogen van de evolutietheorie om alleen al in de paleontologie voorspellingen te kunnen doen over de aard en de vindplaats van bepaalde fossiele organismen, geeft aan dat het hier werkelijk gaat om een toetsbare, wetenschappelijke theorie.

Hier valt veel over te zeggen. Om te beginnen is het twijfelachtig of het hier echt gaat om een wetenschappelijke voorspelling. Wetenschappelijke theorieën moeten namelijk riskante voorspellingen doen, waarbij een serieus risico bestaat dat de theorie gefalsificeerd wordt. Nu is het bestaan van tussenvormen inderdaad een kritieke voorspelling vanuit het evolutieraamwerk, dus lijkt het er in eerste instantie op dat we inderdaad met een wetenschappelijke (want riskante) voorspelling te maken hebben. Als we de tussenvormen niet vinden, is evolutie gefalsificeerd.

Maar er is een probleem. Als we deze ‘voorspelling’ serieus nemen en de regels voor falsificatie correct naleven, was evolutie al talloze malen gefalsificeerd! Er zijn namelijk vele groepen waartussen de tussenvormen níet gevonden zijn. De oudste schildpad was gelijk al een schildpad, met een volledig schild, om maar wat te noemen.

Toch zijn evolutionisten niet consequent geweest, en hebben ze niet de conclusie getrokken dat evolutie gefalsificeerd is, ondanks de grote schaarste aan tussenvormen, zelfs na anderhalve eeuw hard zoeken naar fossielen. In plaats daarvan hebben ze allerlei excuusjes bedacht waarom de tussenvormen niet gevonden zijn.

Het is dus de instelling van de evolutionisten zelf die ervoor zorgt dat dit absoluut geen riskante (dus wetenschappelijke) voorspelling is. Want wat als het fossiel niet was gevonden? Dan was er altijd nog de mogelijkheid dat het fossiel simpelweg nog niet was gevonden. Misschien wordt het over een week wel gevonden. Of over tien jaar. Of over honderd jaar. Evolutionisten zullen nooit zeggen: ‘Nu hebben we zo lang gezocht zonder iets te vinden, dat we wel moeten concluderen dat de tussenvorm nooit bestaan heeft. Evolutie is gefalsificeerd.’ Zelfs al worden tussenvormen die tot een bepaalde groep organismen leiden nóóit gevonden, zullen evolutionisten nog niet toegeven dat gezamenlijke afstamming gefalsificeerd is: ze zullen simpelweg zeggen dat de tussenvormen niet als fossielen bewaard zijn gebleven. Dit excuus wordt immers ook op grote schaal gebruikt wanneer evolutionisten het nijpende gebrek aan tussenvormen proberen te verklaren.

En er is nog meer reden om te twijfelen aan deze ‘voorspelling’. Is de voorspelling van tevoren gepubliceerd? Hoogstwaarschijnlijk niet (zowel, waar dan? – referentie?). Dan hebben we dus hoogstens te maken met een ‘postdictie’ in plaats van een ‘predictie’.

En de voorspelling zoals Fedor die weergeeft is ruim en vaag. Ruim omdat de veronderstelde Tethyszee vrij groot was, en vaag omdat onduidelijk is waarom de tussenvorm dáár gevonden zou worden. Werd de tussenvorm rond de Tethyszee verwacht omdat de vorige schakel daar ook werd gevonden? Dat kan amper grond voor een harde voorspelling zijn, want in de paar miljoen tussenliggende jaren kunnen die dieren zich makkelijk ook op andere plaatsen in de wereld gevestigd hebben. Als het fossiel elders was gevonden zou daar geen evolutionistische haan naar gekraaid hebben.

Wat ook vreemd is, is dat Fedor niet vermeldt over welk fossiel het gaat. Allicht bedoelde hij Ambulocetus. Fedor heeft gelijk dat dit dier zowel landzoogdier- als walvisachtige kenmerken had. Maar dat maakt het geen tussenvorm, het is eerder een soort ‘mosaiek’ met eigenschappen van verschillende groepen. Binnen het scheppingsraamwerk wordt het geïnterpreteerd als een apart type, dat een semi-aquatische levensstijl had, net zoals zeehonden en zeeleeuwen dat tegenwoordig hebben.

De fossielen die evolutionisten gebruiken om de evolutie van walvissen te beargumenteren, blijken bij nadere inspectie helemaal niet zo sterk in het voordeel van evolutie te spreken. De ‘trend’ richting steeds meer walvisachtige kenmerken wordt verstoord door veelvuldig voorkomende discontinuïteit en allerlei ‘terugvallen in primitieve staat’, in plaats van een duidelijke progressie. Zoals Woodmorappe1 observeert:

Let us consider one analysis1 of basicranial, cranial, dental, postcranial, and live-tissue data (from living cetaceans). […] Out of the 123 anatomical characters evaluated by the cited authors, only 33 have data for at least 7 of the 8 taxa, and are considered further. Out of these 33, fully 24% reverse themselves at least once, and are therefore nonprogressive. […] Let us now focus on another cladistic analysis, which consists of 67 skeletal traits2 in a comparable range of fossil to modern cetaceans […]. Although 30% (183 of 603 data points) are missing, an astonishing 31% (21 out of the 67) traits are nonprogressive.
[…]
A detailed analysis of 64 aural and other basicranial traits,3 spanning the entire scope of cetacean evolution […] has been performed. In this particular study, only 17% of the 1472 possible data points are missing. Almost half (44%) of the traits are nonprogressive!
J. Woodmorappe, Walking whales, nested hierarchies, and chimeras: do they exist?, TJ 16(1):111–119, April 2002

Niet-progressieve eigenschappen zijn de eigenschappen waarbij minstens één maal een ‘reversal’ plaatsvindt, als in 0-0-1-0-1-1, of 1-1-1-0-0-1-0. Dat er veel eigenschappen zijn waarbij geen duidelijke progressie te zien is, onderstreept in feite alleen maar dat het gaat om mozaïeken, en niet om een ketting van evolutionaire schakels.

Zolang je dus alleen gegevens vindt die overeenkomstig zijn met de voorspellingen van deze theorie dan ben je hem eenvoudigweg aan het ondersteunen, en dat is precies wat er voortdurend gebeurt.

Maar zoals we gezien hebben was het enige voorbeeld dat Fedor gaf allesbehalve een echte test voor evolutie, noch is het overtuigend bewijsmateriaal tegen het scheppingsmodel. Laat ik de zaak omdraaien en een voorbeeld geven van een echte (riskante) voorspelling vanuit de evolutietheorie, die in het verleden gemaakt is door J. B. S. Haldane, één van de grote evolutiebiologen uit de 20ste eeuw.

Haldane voorspelde dat evolutie nooit zou kunnen leiden tot het ontstaan van ‘various mechanisms, such as the wheel and magnet, which would be useless till fairly perfect4 en dat we zulke structuren dus nooit zouden vinden bij levende wezens. Maar inmiddels is reeds lang bekend dat verschillende dieren in staat zijn magnetische velden waar te nemen. Het vermogen om het aardmagnetisch veld waar te nemen helpt onder andere honingbijen, bepaalde vogels (waaronder duiven), sommige vissen (zoals zalmen) en zeeschildpadden bij hun navigatie. Bij veel van deze dieren zijn kleine kristalletjes organisch magnetiet aangetroffen, wat vermoedelijk een grote rol speelt bij deze indrukwekkende vaardigheid. Gezien Haldane’s voorspelling is evolutie dus gefalsificeerd. En dat magnetoreceptie bij zulke diverse organismen voorkomt impliceert bovendien dat het meerdere malen onafhankelijk van elkaar geëvolueerd zou moeten zijn. Evolutie is dubbel en dwars gefalsificeerd.

Ook Haldane’s voorspelling dat we nooit wielen zouden aantreffen bleek onjuist. Rotatiemotoren met als wielen draaiende onderdelen komen voor in alle levende cellen: de ATP synthase motor is essentieel voor de energieproductie van de cel.

Referenties

1. O’Leary, M.A. and Geisler, J.H., The position of Cetacea within Mammalia: phylogenetic analysis of morphological data from extinct and extant taxa, Systematic Biology 48(3):489–490, 1999
2. Uhen, M.D., Middle to Late Eocene basilosaurines and dorudontines; in: Thewissen, J.G.M., The Emergence of Whales, Plenum Press, New York, London, pp. 54–57, 1998
3. Luo, Z. and Gingerich, P.D., Terrestrial Mesonychia to aquatic Cetacea: Transformation of the basicranium and evolution of hearing in whales, University of Michigan Papers in Paleontology 31, pp. 52–70, 1999
4. Is Evolution a Myth? A Debate between D. Dewar and L.M. Davies vs. J.B.S. Haldane, Watts & Co. Ltd / Paternoster Press, London, 1949, p. 90.

Argument 6          Index          Argument 8

 
Evolutie.EU, Powered by Joomla!; Joomla templates by SG web hosting